
1. Zaterdag
– “Op zaterdag ga ik altijd naar de markt in het centrum.”
– “V sobotu vždy chodím na trh v centru.”
2. Weekend
– “Wat zijn jouw plannen voor het weekend?”
– “Jaké máš plány na víkend?”
3. Vrije dag
– “Zaterdag is mijn vrije dag, dus ik slaap graag uit.”
– “Sobota je můj volný den, takže si rád přispím.”
4. Markt
– “Op de zaterdagmarkt kun je verse groenten en fruit kopen.”
– “Na sobotním trhu můžeš koupit čerstvou zeleninu a ovoce.”
5. Schoonmaakdag
– “Zaterdag is onze schoonmaakdag; we maken het hele huis schoon.”
– “Sobota je náš den úklidu; uklízíme celý dům.”
6. Sportdag
– “Zaterdag is sportdag; ik ga altijd voetballen met mijn vrienden.”
– “Sobota je sportovní den; vždy chodím hrát fotbal s přáteli.”
7. Winkeldag
– “Zaterdag is winkeldag, want dan zijn de winkels langer open.”
– “Sobota je nákupní den, protože obchody jsou otevřené déle.”
